Logo nieuwsbode-heuvelrug.nl


Jan (82 jaar) en Eef (93 jaar): "Wij dochten das toch mooi. En gratis." De broers verblijven in het Engelse Chesterfield.
Jan (82 jaar) en Eef (93 jaar): "Wij dochten das toch mooi. En gratis." De broers verblijven in het Engelse Chesterfield. (FOTO: Ellenoor Piersma)

Vakantiegroeten uit Chesterfield

Oom Jan (82 jaar) had zijn bescheiden autootje volgeladen met oom Eef (93 jaar) en ik. Die auto is rood en dat is nodig. Hij rijdt gevoelig. Elke handeling is merkbaar. Hij draagt nooit gordels. Waarom zou hij zich vastsnoeren aan iets, als het vroeger ook altijd goed ging? Passagiers mogen gelukkig zelf weten wat ze doen. Dus ik deed tijdens het wat schokkende ritje die dingen met plezier om. Oom Eef ook. 'Daar hebt ik heel geen nergens last van, ik kent wel honderd worden, maar wel met hele benen.'

Doorn - Oom Jan en oom Eef zijn ongeveer zestig jaren geleden verhuisd naar Engeland, Chesterfield. Oom Eef had gehoord dat de Plymouth Brethern (Vergadering van Gelovigen, 'gesloten broeders') waren neergestreken in Chesterfield. En hij wist ongeveer waar. Het was zaterdagavond en de broers waren behoorlijk nieuwsgierig hoe dat nu ging daar. 'Das inttressant!' 'Is nie waar?' 'Wij dochten das toch mooi. En gratis.' We gingen het gebouw en de aanvangstijd zoeken. Ze hadden besloten dat ze beiden bekeerd zouden zijn. Dat scheelt veel gedoe bij binnenkomst.

Loodgieters

Die broeders zaten natuurlijk in zo'n rottig klein kerkje en dat was lastig zoeken. Het omkeren van de auto ook. Oom Jan mopperde. 'Die rot hill's.' Op een aflopend bochelig weggetje, moest hij keren op een oplopende oprit. Geen voetpad. Ik verheugde mij zeer op een bezoek aan de broeders. Oom Eef kan niet stilzitten en oom Jan draagt geen gebit. En kan geweldig komische gezichten trekken. En beiden kunnen de meest onoorbare teksten roepen met harde stem. 'Die hebt een dikke kont.' Of. 'Dat lijkend nergens naar.' Ook in Engelse versies. 'En kleding hoef je heel nie vaak te wassen, vlekken zie je nie, as-ie er nie naar kijk.' En ik zou de broeders serieus aanspreken en hen bij herhaling 'plumber brothers' (loodgieters) noemen. Mijn taalgevoeligheid ligt niet ver van de stam. Uiteraard zou ik, onnozel, knus tussen mijn ooms in gaan zitten en ze heel voorzichtig dubbelstemmig horen brommen bij de liederen. Ik heb geleerd van oom Eef dat je 'een idee mot hebben, het daarna mot pakken en dan gaat alles vanzellufs.'

Kolenmijnen

De zoektocht ging eigenlijk al snel mis. Oom Eef ging de weg vragen toen we er al hadden moeten zijn en direct werd hij herkend. 'Mister van Gemeren!' De ooms staan in Chesterfield goed bekend. Toen zij personeel nodig hadden, waren de kolenmijnen net gesloten. Ze betaalden goed. Veel vrouwen werkten bij het inpakken van de rozen, want die kunnen kletsen en werken tegelijkertijd. Dat is gezellig. En als ze op tijd naar hun kinderen wilden, was dat altijd mogelijk. Makkelijk in omgang en betrouwbaar. Dertig jaren lang voor ongeveer vijfendertig werknemers.

Hierna moest ìk de weg vragen. Er rustte geen zegen op. Op die paar meisjesschoenen met hakjes die mijn opa kreeg van buurman schoenmaker overigens wel. Oom Eef was de ongelukkige met de juiste maat. Nog nooit zaten zijn schoenen zo consequent zo dik onder de modder. Hij durfde tegen zijn vader niet zijn eigen gezegdes te zeggen zoals 'Schiet op met die kunsten' of 'Loop naar de maan'.

Thuisgekomen ging ik snel naar mijn nicht en haar computer. Ze keek me bezorgd aan. Hoe ik met die ondeugende mannen naar een zeer kleine kerk op stap durfde te gaan. We vonden het adres en de tijd van de dienst. Ze belde om de gegevens te verifiëren. De man vroeg direct de volledige namen. Ik knikte. Is goed. Het oordeel was begonnen.

Bloemkool

We gingen avondeten. 's Middags hadden we al bloemkool genuttigd. Met sausje. Dat mocht ik mijn oom de vorige keer leren. Heerlijk vindt hij het. 's Morgens vroeg had hij al een salade klaargemaakt. Die zouden we nuttigen met een paar sneden brood. Met roomboter. Dik. Heel dik. 'Effies snel' was de tafel al gedekt toen ik blij terugkwam. 'Waar heb ik die kaas gelegen?' 'Kent ik enkelt en allenig die kaas nie vinde.' De heren hadden vergaderd en besloten niet naar broeders te gaan. Oom Eef was bang dat ze daarna eindeloos bij zijn huis kwamen en oom Jan moest op zondag om drie uur weg om nog 'zakkies te plakken' voor zijn dochter. Verdient hij trouwens goed mee. Zijn vrouw meer, want zij plakt meer zakjes met etiketten voor kruiden. Beter kan hij het niet hebben.

Hekje

De volgende ochtend hoorde ik oom Eef al om zeven uur al rommelen. Hij had 'gratis en voor niks lage metalen hekkies' gekregen van een vrouw, die nu een hekje van hout wilde hebben. Het hekwerk paste precies, maar dan ook precies bij een border van zijn tuin. Ze zaten aan de voorkant aan elkaar vast met ijzerdraadjes of flinke schroeven. Die zie je beter dan kleinere. En het is veel makkelijker dan priegelen aan de achterkant. Hij kwam nog een stukje tekort. Had nog een hekje ergens, zaagde het in tweeën, bond ze weer vast met ijzerdraad. De krullen en versieringen werden in goud geverfd, zodat het één geheel werd. Klaar.

Ik kwam kijken. 'Ik doch dat mos ik effies maken en ik zoch (verleden tijd van zien) nog een oud hekkie. Dat hebbie heel niet in de hele wereld.' 'Het is reusachtig mooi geworden.' Ik beaamde alles. Het was ook zo. We gingen ontbijten. Oom Eef eet elke ochtend een ei en om nooit naar het lepeltje te hoeven zoeken, heeft hij een eigen bedachte eierdop gemaakt op de houtdraaibank. Met uitsparing voor het lepeltje. En zilver geverfd. 'Assie iets niet heb, kent je het zelf maken.' Een mens kompt-er altijd.

1 reacties